Het Laatste Woord

Mannelijk, vrouwelijk of ongelukkig

dinsdag 05 februari 2013

                ‘Hoe laat begint die vergadering maandag?’

                ‘Die begint helemaal niet.’

                ‘Hoezo niet?’

                ‘Zij is verschoven naar woensdag.’

 

Deze laatste zin, laten we wel wezen, is geen Nederlands. Iedereen zegt: ‘Hij is verschoven.’ Maar ja, dat is spreektaal. Volgens de regels voor de schrijftaal is zij correct. Vergadering is immers een vrouwelijk woord en als je daarnaar wilt verwijzen gebruik je een vrouwelijk voornaamwoord. ‘Meteen belde ik de politie. Pas na anderhalf uur was zij ter plaatse.’

 

Hoe zat het ook weer met die regels? Naar mannelijke en vrouwelijke wezens (boer, waardin) verwijs je met hij (+ zijn) en zij (+ haar). Naar het-woorden verwijs je met het (‘Hoe vond je het stuk?’ ‘Ik heb het nog niet gelezen.’) en zijn (Het elftal droeg zijn trainer op handen).

 

Tot zover is het niet ingewikkeld. Het probleem ontstaat bij de de-woorden. ‘De boemerang keerde naar … eigenaar terug’ – is dat zijn eigenaar of haar eigenaar? Het is vreemd maar uit onszelf weten wij dit niet. Om er toch achter te komen moeten we – dat is althans tot nu toe het voorschrift – in het woordenboek kijken. En daar staat, achter ‘boemerang’, een m, dus het is zijn eigenaar.

 

Welnu, hier is Het Laatste Woord tegen. Niet tegen ‘zijn eigenaar’ maar tegen de procedure – het idee dat je, om correct te schrijven, in een woordenboek zou moeten naslaan of een woord mannelijk is of vrouwelijk. Volgens ons is dit achterhaald en aan vervanging toe. Ik geef vier argumenten:

 

  • ‘Boemerang’ is geen mannelijk woord
  • Het woordenboek laat je in de steek
  • Het werkt niet
  • Het is onnatuurlijk

 

‘Boemerang’ is geen mannelijk woord

net zo min als ‘spiegel’, ‘wind’ en ‘biechtstoel’, ook al staat er duizendmaal een m achter. En ‘boerderij’, ‘fabriek’ en ‘crisis’ zijn geen vrouwelijke woorden, ook al staat er duizendmaal een v achter. Het wáren mannelijke en vrouwelijke woorden, een paar honderd jaar geleden, maar dat is voorbij. Nu hebben we alleen nog maar de-woorden en het-woorden.

 

Het woordenboek laat je in de steek

Je zou verwachten dat een woordenboek drie mogelijkheden geeft: het (of o), m en v. Maar dat is niet zo. Het Groene Boekje geeft bij een flink aantal de-woorden geen m of v, maar helemaal niets. Kijk maar bij: hark, schiettent, toeristenkaart, taal, tafel, hoofdstad, barak, duikplank. Er zijn dus vier mogelijkheden:

 

                dienstjaar       het

                dienstleiding    v

                dienstlift          m

                dienstlijn          -

 

Waarom is ‘dienstleiding’ v, ‘dienstlift’ m en ‘dienstlijn’ geen van beide? Wat het is, moeten we maar raden, dus waarom niet drie streepjes? En als er m noch v staat, hoe moet je dan verwijzen? De Taaladviesdienst van Onze Taal zegt dat je het in zo’n geval zelf mag weten. Dat is wel een heel ongelukkig advies.

 

Het werkt niet

Tegen een Nederlander die aarzelt tussen zijn en haar kun je wel zeggen dat hij in het woordenboek moet kijken, maar dat doet hij eenvoudig niet. Hij schrijft, tegen de regels in:

                Nederland moet haar economische positie …

                De gemeenteraad wil met haar advies …

                De bank heeft haar  faillissement …

Waarschijnlijk werkt het mechanisme als volgt: de schrijver is niet zeker van zijn zaak en kiest – om maar geen fout te maken – voor de meest ‘boekige’ vorm, die het verst afstaat van wat hij zelf zou zeggen. Dit verschijnsel heet hypercorrectie. Met als gevolg een overvloed aan verwijzingen met haar. De haar-ziekte.

 

Het is onnatuurlijk

 

               'Mooie stoel. Was hij duur?'

 

In de bovenstaande zin aarzelt de spreker geen moment. Nou staat er in het woordenboek achter ‘stoel’ een m, maar bij een v-woord aarzelt hij ook niet. Stel dat hij voor het eerst een symfonie van Mahler hoort (die minstens een uur duurt), dan vraagt hij allicht na een poosje:

                Zeg, die symfonie, hoe lang duurt ie eigenlijk?

En ie = hij. Of, in een ander geval:

                Dan moet de politie z’n beleid maar aanpassen.

 

Dit is Nederlands. En ‘hoe lang duurt ze’ en ‘de politie d’r beleid’ zijn dat niet. Met andere woorden: de verwijzingsregels voor de schrijftaal gaan tegen ons taalgevoel, en dus tegen het Nederlands, in. Want – laat daar geen twijfel over bestaan – de spreektaal is de taal. De schrijftaal is een afgeleide.

 

Het is dus wenselijk dat de verwijzingsregels voor zijn en haar een meer natuurlijk karakter krijgen, meer aansluiten bij de gesproken taal.

 

Helaas is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Want wat zéggen wij nu eigenlijk? Daarover de volgende keer.